Consumentenkrediet

Inleiding
Sommige deelnemers aan het economische verkeer hebben een overschot aan geldmiddelen, andere een tekort. Als een deelnemer met een overschot middelen afstaat aan een deelnemer met een tekort, dan spreken we van kredietverlening.

Bedrijven lenen geld om de onderneming te laten groeien, want de lopende inkomsten zijn vaak onvoldoende om grote investeringen te doen in materiaal, machines en gebouwen. Kredietverlening aan bedrijven noemen we productief krediet.

Consumenten lenen geld omdat zij iets willen aanschaffen warvan zijn willen genieten, niet om te investeren.De aankoop heeft dus een consumptieve bestemming en geen bedrijfsmatige. Kredietverlening aan particuliere huishoudens voor privédoeleinden heet consumptief krediet en consumentenkrediet.

Consumptief krediet kan op twee manieren worden onderverdeeld: naar verstrekkingsvorm en naar aflossingsvorm. De verstrekkingsvormen zijn het geldkrediet en het goederenkrediet. Aflossingsvormen zijn het aflopend krediet, het doorlopen krediet en het vaste krediet.

Geld en goederenkrediet.

Van geldkrediet is sprake wanneer de kredietgever een som geld te beschikking van de kredietnemer stelt. De kredietnemer kan dit geld besteden zoals hij dat wil. Als bij geldkrediet geen zekerheden zijn meeverbonden, spreken we van blanco krediet. De verstrekkers van geldkrediet zijn vooral de banken.

Bij goederenkrediet krijgt de kredietnemer geen geld ter beschikking, maar een bepaald consumptiegoed of een bepaalde dienst. De waarde daarvan kan in geld worden uitgedrukt: dit is het bedrag dat de kredietnemer leent en ook weer zal moeten terugbetalen. Wanneer in de vorm van goederenkrediet duurzame consumptiegoederen zoals auto's, boten of caravans worden aangeschaft, spreken we van objectfinanciering.  Financieringsmaatschappijen zijn de belangrijkste verstrekkers van goederenkrediet.

Aflopend krediet.
Als de kredietnemer een aflopend krediet afsluit, krijgt hij de kredietsom in de vorm van geld, zaken of diensten ineens en volledig ter beschikking. De looptijd en het voor de gehele looptijd geldende kredietvergoedingspercentage staan bij het sluiten van de overeenkomst vast. Bij een aflopend krediet kunnen zekerheden worden meeverbonden binnen de beperkingen van wettelijke en technische aard.

Beschikbaarstelling kredietsom
Het begrip kredietsom heeft voor aflopend geldkrediet een andere betekenis dan voor aflopend goederenkrediet.

Bij aflopend geldkrediet gaat het om het bedrag waar de kredietnemer over kan beschikken. De kredietsom kan hoger zijn dan het bedrag dat de kredietnemer geitelijk in handen krijgt, bijvoorbeeld bij oversluiting van een bestaande lening. De kredietnemer krijgt dan de kredietsom van de nieuwe lening uitbetaald, verminderd met het bedrag voor aflossing van het uitstaande saldo van de oude lening.

Bij aflopend goederenkrediet is het uitgangspunt de contantprijs van het gekochte goed. De contantprijs is de prijs van het gekochte goed bij contante betaling. De kredietsom- het bedrag dat bij de kredietgever vandaan komt - is gelijk aan de contactprijs minus de aanbetaling.

De aanbetaling is het bedrag dat bij de koper vandaan komt. Bij een autofinanciering kan de aanbetaling deels bestaan uit de inruil van een bestaande auto.

Looptijden
Een aflopend krediet heeft een vaste looptijd. De looptijd is de periode tussen de eerste en de laatste vervaldag. Meestal luidt de looptijd in maanden.

Bij de meeste aanbieders bedraagt de minimumlooptijd 6 maanden. De maximumlooptijd hangt vooral af van de hoogte van de kredietsom en het bestedingsdoel. Bij de persoonlijke lening (PL) of standaardhuurkoopcontracten is de looptijd zelden langer dan 72 maande, maar bij de financiering van zaken met een lange levensduur komen looptijden tot 120 maanden voor.

Betalingsverplichting
Bij aflopend krediet is de kredietnemer maandelijks een vast termijnbedrag verschuldigd. Het termijnbedrag  bestaat uit aflossing en de verschuldigde kredietvergoeding (rente). De verhouding tussen aflossing en rente blijft niet gelijk. Aan het begin van de looptijd zit er meer rente in het termijnbedrag dan aan het einde. Dit heet een annuïteitenschema.

In de eerste maanden lost de kredietnemer naar verhouding weinig af. Het aflossingdsdeel neemt gedurende de looptijd toe, terwijl het rentebedrag afneemt. De laatste termijnbedragen bestaan dan ook vrijwel geheel uit aflossing, zoals onderstaande grafiek laat zien:


Leningsvormen

zoeken